Het openen van PDF bestanden vereist Adobe Reader software. Deze is gratis te downloaden via de Adobe site.
Het consortium Climate Proof Cities, bestaande uit onderzoekers van 11 universiteiten en kennisinstellingen, gaat kennis ontwikkelen voor een klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied. Het onderzoeksprogramma heeft een budget van 6,5 miljoen euro en heeft een subsidie gekregen van Kennis voor Klimaat. Het consortium komt met adaptieve maatregelen waarmee wateroverlast, droogte en hitte in stedelijk gebied als gevolg van klimaatverandering kunnen worden tegengegaan of beperkt. Stadsbesturen, waterschappen, projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties moeten hun voordeel kunnen doen met de uitkomsten van het onderzoek, dat vier jaar gaat duren. “Het programma kenmerkt zich door een boeiend samenspel tussen onderzoekers, ontwerpers en de praktijk. Dat gegeven zal de klimaatadaptie in de praktijk een sterke impuls geven”, zo verwacht Frans van de Ven van het team Stedelijk Waterbeheer van Deltares en verbonden aan de TU Delft.
Kennis voor Klimaat
Het project ‘Klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied’ is onderdeel van het wetenschappelijk programma Kennis voor Klimaat. Bijzonder aan het programma ‘Kennis voor Klimaat’ is dat het in directe samenwerking wordt uitgevoerd met de Nederlandse overheden (rijk, provincies, gemeenten en waterschappen), die mede-financier zijn. Doelstelling is kennis te ontwikkelen voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Die kennis is ook nodig om de hoge investeringen in ruimte en infrastructuur te kunnen beoordelen op klimaatbestendigheid en deze, indien nodig, aan te passen.
Hotspots
Voor het totale onderzoeksprogramma dat 140 miljoen euro kost en waarvan de rijksoverheid 50 miljoen voor zijn rekening neemt, zijn zeven zogenaamde ‘hotspots’ aangewezen. Gebieden die ieder op eigen wijze met de gevolgen van klimaatverandering te maken krijgen. Hotspots in het stedelijk gebied zijn onder andere Rotterdam, Haaglanden, Amsterdam, Tilburg en het KAN-gebied. Het onderzoek dat daar wordt uitgevoerd vindt zowel op microniveau (straat en gebouwniveau) als macroniveau (de gehele stad).
Hitte-eilanden
Frans van de Ven: “De gevolgen van klimaatverandering zijn voor de stad heel anders dan voor het platteland. In stedelijke gebieden ontstaan bijvoorbeeld hitte-eilanden door opwarming van de gebouwde, stenen omgeving en geasfalteerde straten. Wij gaan metingen verrichten en aan de hand daarvan modellen opzetten om vast te kunnen stellen welke invloeden een rol (kunnen) spelen op het stedelijke klimaat nu en in de toekomst. Er bestaat nog nauwelijks inzicht, en zeker niet door metingen onderbouwd, over welke effecten het klimaat in de stad bepalen. Dat de aanwezigheid van open water daarbij een grote rol kan spelen is wel duidelijk. Ook de aanwezigheid van stedelijk groen heeft een verkoelend effect. Denk ook aan groene daken en, zoals je in het buitenland wel eens ziet, of aan besproeiing van asfalt waarbij door verdamping de luchttemperatuur in de omgeving afneemt. Al die effecten willen wij gaan kwantificeren zodat aan de hand daarvan stadsbesturen, ontwikkelaars en waterschappen er uiteindelijk beleid op kunnen baseren waarmee op klimaatadaptie kan worden ingespeeld.”
Praktijkgericht en vraaggestuurd
Dat maakt volgens Van de Ven het hele programma ook zo interessant en in de uitvoering doeltreffend. “ Het is een boeiend samenspel van onderzoeksinstituten, universiteiten, ontwerpers en overheden. Het onderzoek is ook heel praktijkgericht en vraaggestuurd. De deelnemers vanuit de hotspots en Stowa hebben zelf de onderzoeksvragen mee opgesteld. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kunnen gemeenten en waterschappen hun bestuurders ook beter en met meer overtuigingskracht uitleggen waar en waarom geïnvesteerd moet worden in klimaatadaptie.”
Watergedreven verhaal
Klimaatverandering levert in de eerste plaats problemen met het water, zo benadrukt Van de Ven. Hij wijst op de te verwachten wateroverlast door heftiger regenbuien op het verharde oppervlak en aanzwellende rivieren die vlak langs of door stedelijk gebied lopen. Maar droogteproblemen zullen zich ook aandienen, bodemdaling teweeg brengen en door verlaging van de grondwaterstand een bedreiging voor de houten funderingspalen vormen. Maar ook het stedelijke hitteprobleem is deels een waterprobleem. Water is de koelvloeistof van de stad, dus je moet wel voldoende water in de stad hebben, zeker in droge perioden. Maar daar is in het watersysteem nog nauwelijks rekening mee gehouden. Wij willen dus uitzoeken hoe, hoeveel en waar water de beste koelende functie kan verzorgen. Rotterdam is een van onze belangrijkste hotspots waar we onderzoek gaan uitvoeren.”
Schadegevoeligheid
Het is in het vlakke Nederland moeilijk vast te stellen en te berekenen waar in steden te veel aan water te verwachten is bij extreme buien; in tegenstelling tot heuvelachtig landschap waar de afvoerstromen beter voorspelbaar zijn. Van de Ven: “ Maar naast het beheersen van de waterafvoer zal tegelijkertijd gekeken worden naar mogelijkheden om het regenwater op te vangen, om het te benutten voor laagwaardige toepassing of het creëren van een voorraad om in droge tijden de grondwaterstand op peil te houden. Daarnaast kennen wij de schadegevoeligheid van een stad voor wateroverlast niet zo goed. Wij onderzoeken dus ook de directe en indirecte schadelijke effecten die wateroverlast kan hebben op kwetsbare ontwerpen zoals elektriciteitsvoorzieningen, telefoonkabels, tunnels en onderdoorgangen, etc. Kortom: ook economische aspecten worden in het onderzoek meegenomen.”
Ook in achtertuin
Het consortium verwacht geen standaardoplossingen aan te kunnen bieden, maar een portfolio aan technieken en aanbevelingen waar iedereen zijn eigen situatie mee kan tegemoet treden. “Daaronder ook woningeigenaren, want die kunnen op microniveau, in de achtertuin, ook maatregelen treffen om te helpen problemen te voorkomen.”
De betrokken overheden zullen niet hoeven te wachten tot over vier jaar wanneer het onderzoek wordt afgerond. Tussentijds tot stand gekomen aanbevelingen zullen direct al naar buiten worden gebracht, zodat zo snel mogelijk met de klimaatadaptie kan worden begonnen en op de toekomstige te verwachten situatie kan worden ingespeeld.
Niet altijd kostbaar
Van de Ven wijst er nadrukkelijk op dat lang niet alle maatregelen kostbaar hoeven te zijn. “Een van de doelstellingen is ook hoe we partijen ertoe brengen maatregelen ook daadwerkelijk toe te passen. Bij de aanleg van een wijk of bij herinrichtingwerkzaamheden kan tegen beperkte kosten al op klimaatadaptie worden ingespeeld. Bijvoorbeeld door bij het vervangen van de riolering te gaan voor een maatje groter of wanneer een straat open moet, hem daarna 5 cm lager aan te leggen, waardoor meer regenwater gebufferd kan worden.”
TU Eindhoven: microschaal
Van het budget voor onderzoek naar klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied, gaat een miljoen euro naar de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven; één van de elf deelnemers aan het onderzoek. Bert Blocken, een van de projectleiders bij Bouwkunde vertelt dat zijn onderzoek zich richt op de microschaal in stedelijk gebied. “Naast het wateronderzoek van Deltares, Wageningen Universiteit en de TU Delft op macroschaal en mesoschaal, betreft ons onderzoek de microschaal. Het gaat dan om zones met afstanden die kleiner, en soms veel kleiner zijn dan 5 km Het gaat zo om een samenhangend geheel van alle metingen waarmee modellen kunnen worden gevormd om te snappen wat je meet.
Wij richten ons onderzoek in Eindhoven op gebouw- en straatniveau. Denk daarbij aan aanpassingen aan gevels van gebouwen, ventilatiesystemen en verdampingstechnieken. We gaan voor nieuwe technieken en bestaande technieken die tot in detail doorgerekend moeten worden.”
Verdampingskoeling aan gevels
Blocken verwijst naar verdampingskoeling zoals we die kennen bij koelmachines. “Wij gaan echter onderzoeken hoe verneveling van water in heel kleine druppels rondom de gebouwschil, door onmiddellijke verdamping invloed kunnen hebben op directe koeling van de buitenlucht en het gebouwoppervlak. We gaan meten aan groene daken, groene gevels, kale gevels et cetera. We meten temperatuur, vochtigheid en luchtstroming binnen en buiten en waarschijnlijk zelfs de thermofysiologische stress die oudere mensen in bejaardenhuizen ondergaan tijdens warm weer en mogelijk dat wij ook binnen schoolgebouwen onderzoek gaan doen.”
Kortom, het gaat er bij het Climate Proof Cities onderzoek om dat op alle schaalniveaus gemeten en gerekend wordt, om op basis daarvan en ook op basis van literatuurstudie een hele lijst van adaptiemogelijkheden te kunnen aan- of afvinken die ingezet kunnen worden met het oog op klimaatverandering.
Consortium
In het Climate Proof Cities consortium werken onder leiding van TNO Bouw & Ondergrond Deltares, TU Delft, TU Eindhoven, Wageningen UR, Alterra, Universiteit van Amsterdam, KU Nijmegen, Universiteit Utrecht, KWR en UNESCO-IHE samen. Vanuit het buitenland zijn de universiteiten van Manchester en Kassel bij het onderzoek betrokken.
Om een reactie te kunnen plaatsen dient u ingelogd te zijn.